Verder zuidwaarts in Ecuador

posted in: Blogs, Ecuador-Peru | 2

Veel mensen gaan naar Quilotoa voor het beroemde kratermeer, waar het water alle kleuren blauw en groen aan kan nemen, en waar het meer volgens de locals bodemloos is. Dit gebied, hoog in de Andes, staat daarnaast bekend om de ‘Quilotoa loop’, een weg die soms verhard maar vaak ook onverhard, zich een weg baant door het landschap dat bestaat uit rivieren die in de loop van de miljoenen jaren flinke canyons hebben uitgeslepen maar vooral ook uit landbouwgrond die gebruikt wordt door lokale boeren om hun koeien, schapen en alpaca´s te laten grazen en om onder andere quinoa, aardappels en mais te verbouwen. De Quilotoa loop begint bij de Panamericana bij Latacunga en eindigt via Quilotoa, Chugchilán, Sigchos en Isinlivi weer op de Panamericana bij Lasso. Of andersom natuurlijk :). Het ligt dicht bij de Cotopaxi vulkaan en het is een schitterend gebied om een of meerdere dagen te gaan wandelen (meestal van dorpje naar dorpje).

Wij besloten 4 nachten door te brengen op de Quilotoa loop, en 3 dagen te wandelen. Na de wandeling op de Cotopaxi reisden we dus met een lokale bus vol met Quecha sprekende mensen via Latacunga door naar Tigua. Daar kwamen we aan het einde van de middag aan, en overnachtten we op de meest schattige Posada, die ook nog gewoon in gebruik was als koeienboerderij. Het voordeel daarvan was dat we niet alleen verse melk, kaas, yoghurt, boter etc. bij het ontbijt kregen, maar die middag ook nog mochten helpen (nouja, proberen, want vooral bij Arjen lukte het niet helemaal) met koeien melken. Carla kreeg er ook echt een beeld van dat dit was hoe de boerderij van opa en oma er vroeger uit moet hebben gezien.

De volgende dag gingen we na een stevig ontbijt op pad, om van Tigua naar Quilotoa te wandelen, met als (letterlijke) hoogtepunt het kratermeer aan het einde van de wandeling. Het liep uiteindelijk iets anders… We hadden van de Posada een kopie van een kaartje meegekregen, en wat uitleg, en gingen ervanuit dat het daarmee wel zou lukken. Niet dus… Het zou 5-6 uur wandelen moeten zijn, waarbij we de canyon omlaag moesten, de rivier over moesten steken, en aan de andere kant weer omhoog moesten naar het kratermeer. Maar doordat we een aantal keren verkeerd liepen, waarbij we door een schapenherder die aan de andere kant van de canyon op de heuvel stond te schreeuwen en te wijzen de goede kant op zijn gestuurd, hebben we er uiteindelijk meer dan 9 uur over gedaan :o. Gelukkig waren we vroeg vertrokken, en was het redelijk weer (in ieder geval geen regen), maar ergens halverwege zagen we het echt even niet meer zitten en waren we bijna omgedraaid (ware het niet dat we die route óók niet meer hadden kunnen vinden, dus dat hebben we toch ook maar niet gedaan). Later hoorden we van 2 andere wandelaars die dit stuk de dag voor ons gelopen hadden dat zij een routebeschrijving hadden, waar vooral ook dingen instonden als ‘en nu is er geen pad meer, en moet je zelf ongeveer je weg zien te vinden’ en ‘ga niet te vroeg naar de rivier, maar ook niet te laat’ (jaja….). En uiteindelijk bleek dat we zelfs nog de goede route gelopen hadden ook (nou ja, uiteindelijk dan toch, we zijn echt wel een paar keer flink verkeerd gelopen). Hulde aan het herdertje die ons de goede kant op stuurde! Aan het einde van die dag kwamen we uitgeput aan bij Shalalá, een minidorpje aan de rand van de Quilotoa krater, nog een uurtje lopen van Quilotoa vandaan. Van het uitzicht over het meer kwam helaas niks terecht, want we zaten midden in een wolk (op 3900m), maar gelukkig hadden ze wel een cabana voor ons waar we konden overnachten die nacht. Maar goed ook, want nog een uur lopen naar Quilotoa zagen we écht niet zitten. Het jammere was wel dat de cabana, en ook het restaurant, geen verwarming en zelfs geen haardvuur hadden, dus het was ook nog even kou lijden. Gelukkig lagen er wel maar liefst 4 (!) fleecedekens op het bed, dus ‘s nachts hebben we het in ieder geval niet koud gehad.

De tweede wandeldag van de Quitlotoaloop liepen we eerst een paar uur langs de rand van de krater (waar het meer gelukkig dit keer wel te zien kregen), om vervolgens, ook weer via glooiende canyonlandschappen, naar Chugchilán te lopen. Vanuit daar reisden we met de auto naar Isinlivi (hemelsbreed maar een 10 kilometer er vandaan, maar doordat je canyon op en canyon af moet met de auto (en te voet trouwens ook) rij je er toch bijna een uur op), waar we twee nachten bleven in een heerlijk hostel, waar ze ook 2 persoons huisjes hadden (én een spa, en een haardvuurtje iedere avond). Dit hostel was eigenlijk de eerste plek waar het echt vol was, afgezien van de Galápagos. Een goed moment om ervaringen met andere reizigers uit te wisselen. Rondom Isinlivi maakten we de derde dag nog een dagwandeling (helaas een deel in de stromende regen, waar we de dagen ervoor toch nog wel redelijk goed weer hadden gehad), waarna we de dag erna via Latacunga (waar we het grootste deel van onze spullen nog moesten ophalen) door naar de volgende bestemming: Alausí.

Alausí is een klein dorpje waar eigenlijk weinig te beleven valt, behalve dat je er een beroemd stukje trein kunt pakken als toerist, die zigzaggend vanuit Alausi de berg de Duivelsneus (Nariz del Diablo) omlaag rijdt (en waarvan de aanleg in de vroege 20e eeuw heel veel mensenlevens heeft gekost). Bij iedere zigzag wisselt de trein van spoor, en moet die wissel even handmatig met een stok omgezet worden. Wij bleven één nachtje in Alausi, om de volgende ochtend de trein te kunnen nemen, en dezelfde middag weer door te reizen. Het was die ochtend enorm bewolkt, en we hebben tot op de laatste minuut getwijfeld of het wel zin had met de trein mee te gaan, maar hebben het uiteindelijk toch maar gedaan. Het was wel een bijzondere beleving in die trein, en gelukkig klaarde het tijdens de rit ook enigszins op (zodat we tenminste iets meer zagen dan alleen maar de wolk waar we in zaten). Wel merkten we heel duidelijk dat het in Ecuador zelf nog laagseizoen is, want met ons zaten er slechts zo’n 15 anderen in de trein, één wagonnetje vol van de 5. En ook op heel veel andere plaatsen merken we dat er nog weinig toeristen zijn, en dat er dus veel restaurantjes bijvoorbeeld ook nog dicht zijn, of we de enige gasten zijn in een hotel.

Na Alausi gingen we nóg zuidelijker, 5 uurtjes met de bus, naar Cuenca, de 3e grootste stad van Ecuador. Het deed ons een beetje aan Quito denken, en ook aan Sucre in Bolivia, waar we 2 jaar geleden waren. Een heel relaxed stadje waar we ook weer even heerlijk genoten van iets meer mogelijkheden wat betreft (goed) uit eten gaan en goede koffie drinken. Ongeveer 30 km ten westen van Cuenca ligt Cajas Nationaal Park, waar we vanuit Cuenca ook nog een dag zijn gaan wandelen. Hoewel ook Ecuadoriaans hooggebergte waanden we ons eerder in Schotland dan in Zuid-Amerika. Lage begroeiing, af en toe wat bomen, afgewisseld met kleine meertjes. Zó anders dan we tot nu toe van het Andesgebergte gezien hadden (en dus heel gelijkend met Schotland). Gelukkig geen Schots weer, want eindelijk hadden we een beetje zon tijdens het grootste deel van de dag. En een goed moment om (verder) te acclimatiseren op 4000m voor onze volgende bestemming.

Cuenca was wel onze laatste stop in Ecuador. Vanaf daar reisden we met de bus naar Guayaquil, waar ons rondje Ecuador compleet was. Met het vliegtuig gingen we naar Lima, in Peru, om direct met de nachtbus door te gaan naar Huaraz, een stadje 8 uur rijden ten noorden van Lima, midden in het hooggebergte van de Huascaran, waar we nu zijn. Hier gaan we een meerdaagse trekking door de bergen maken, waarover meer als we terug zijn.

Carla & Arjen

2 Responses

  1. Barbara

    Wow looks amazing! I missed out the Quilotia loop but seeing your pics makes me think I should’ve done it, and the train ride too!

  2. Debby en ruud

    Weer mooie verhalen!! Heel veel plezier in de huascaran. Als het weer mooi is, wordt dat vast een geweldige ervaring.
    Geniet ervan!!
    Debby en ruud

Leave a Reply